Er waren 18 Stiftsjuffers die een uitkering kregen van 150 – 300 gulden per jaar. De drie huishoudende juffers zouden ook nog recht hebben op 6 mud* rogge, 3 mud boekweit, 6 mud gerst, 50 gulden voor brandstoffen en 4 varkens per persoon. Ook zouden ze ieder jaar enkele schapen, 52 ganzen en 80 hoenders te verdelen hebben. Dit vee zou door de boeren gebracht moeten worden bij het “verenhuis”. Het huis van de familie Waanders, de “Veerman”.

In tegenstelling tot kloosterlingen legden ze alleen de geloften van gehoorzaamheid en kuisheid af. Dus niet de gelofte alleen maar binnen het huis en de tuinen. De Stiftsdames konden makkelijk een lange tijd van Het Stift weg blijven, omdat het minder streng was. Ze konden ook uittreden om in het huwelijk te treden. Het Stift had aanzienlijke inkomsten door de verdiensten van vele goederen.

Aantal onduidelijk

De lijst van Stiftsjuffers is lang. Er zijn een tweetal lijsten van juffers, in het totaal 48, ontleend aan gegevens in het Rijksarchief te Zwolle. De lijst begint met Margaretha van Heeckeren genaamd van Rechteren (benoemd in 1410) en eindigt met Emerantia Philippa Cornelia van Haersholte tot Staverden (benoemd in 1789). Maar, deze lijsten zijn onvolledig, evenals die van de heer Geerdink, die spreekt over 22 Stiftsjuffers uit de jaren 1625-1782 en 13 dames die in 1794 leefden, allen uit bekende Overijsselse adellijke geslachten.

Met enige moeite zou men een volledige lijst van de Stiftsjuffers uit de jaren 1640-1795 kunnen opmaken. Hier kan echter worden volstaan met een greep uit enkele jaren.

Deel dit berichtTweet about this on TwitterShare on FacebookShare on Google+Share on LinkedIn